Huisdokter schuwt zorggroep: “Ik ben geen filiaal van een winkelketen!”

Een HKA-onderzoek onder zorggroepmijdende huisartsen
 
In Amsterdam zijn eind 2013 achtentwintig gevestigde huisartsen niet aangesloten bij een zorggroep. Wat zijn hun motieven om zich niet aan te sluiten en hoe pakken ze de verantwoordelijkheid op voor hun patiënten met chronische ziektes, in het bijzonder diabetes? Dat is de vraag die de HKA zich stelt. Zijn het uitgebluste dokters die opzien tegen weer een verandering in hun praktijkorganisatie? Zijn het huisartsen die het contact met collega’s of met de HAGRO verloren hebben? In dit onderzoek is nagegaan in hoeverre deze veronderstellingen juist zijn.

Conclusie:
Verre van uitgeblust, tegen een ‘bonuscultuur’ en actief in samenwerking

De achttien geïnterviewde artsen zijn gemotiveerde huisartsen die werken als solist of in een duo. Onder hun praktijken zijn er minstens vier met een gedifferentieerde patiëntenpopulatie, zoals studenten, musici, de haven, veel illegalen. Twee praktijken werken op antroposofische grondslag.

Deze respondenten zijn juist verre van uitgeblust. Zij ervaren de arts-patiënt relatie als essentieel voor hun werk, met continuïteit in zorg, met jarenlange kennis van de geschiedenis en de sociale context van hun patiënten. Zij werken vanuit liefde voor het vak.

De respondenten hebben kennis van de eigentijdse eisen voor de zorg voor chronische (diabetes)patiënten en handelen daar naar. Een goed inkomen vinden ze allen belangrijk, maar voor tweederde onder hen is de manier van betalen bij de ketenzorg en zorggroepen een vorm van dure bonuscultuur waar ze niet aan willen meewerken.

De extra waarde van geprogrammeerde zorg zit voor hen met name in de diabetesbegeleiding en minder in de begeleiding van bijvoorbeeld COPD.  Als georganiseerde ketenzorg brengt het echter veel administratieve rompslomp met zich mee, waarvan het nut wetenschappelijk niet eens bewezen is.

Sommigen zouden het tij wel willen keren, maar ze vrezen dat het een gepasseerd station is.

Ruim tachtig procent van de respondenten heeft een eigen goed functionerend samenwerkingsnetwerk binnen de eerste lijn. Ze verwijzen naar de tweede lijn via persoonlijke verwijskanalen en daar zijn ze zeer tevreden over. Ruim tweederde hecht veel waarde aan de goede samenwerking en motivatie binnen de HAGRO. Dat blijkt dus juist anders dan tevoren werd verondersteld.

Het systeem van werken met een POH blijkt in praktijken met veel hoogopgeleiden niet goed te werken; de patiënten willen de dokter zelf zien. Kanttekening. Van tien van de 28 huisartsen zijn de visies en ervaringen buiten beeld gebleven. De 18 geïnterviewde huisartsen vertegenwoordigen waarschijnlijk een selectie.

In de bijlage leest u het uitgebreide onderzoeksverslag.